A little girl

In the thick of it
I never think of it
all the tricks
my therapist taught me
to make it go away;

In the thick of it
it gets even thicker
because my sadnesss scares me
and I feel like I’m going mad
and that, too, isn’t good enough,
surely I could do better?

In the thick of it
I will make myself more sad
so someone will pay attention
but now I’m on my own
and it only works against me;

In the thick of it
I’m still six years old
and someone tells me not to cry
and it works for them
but not for me;

In the thick of it
I wish I’d been a boy
so I’d have learned to be violent
to others
instead of to myself

In the thick of it
I keep going round in circles
picking at the scab
and as soon as it’s dried
I start all over again
picking at myself;

In the thick of it
there’s a little girl
lost in time
she’s small and quiet
her shoulders
square and tight;
but I never think of it.

Advertentie

Praten met de kleine Anna

De afgelopen paar sessies vroeg mijn therapeut met met enige regelmaat hoe het met ‘de kleine Anna’ ging. Als ik vroeger mensen hoorde praten over hun ‘innerlijke kind’ of ‘het helen van hun gekwetste kind’, vond ik dat raar. Ik veroordeelde die mensen, of misschien kon ik me er simpelweg weinig bij voorstellen. Dat is veranderd.

Afgelopen dinsdag zag ik mijzelf, als kind. ‘Hoe gaat het met de kleine Anna?’ vroeg mijn therapeut aan me. Eerst had ik alleen een gevoel, even later kwam daar een beeld bij. Waar dat beeld vandaan kwam, weet ik niet. Wel had ik het weekend ervoor voor het eerst een weekend gekampeerd met mijn vriend – een befaamde relatietest.

Ik zag mezelf als kleine meisje, van achteren, op de rug. Ik had kleren in vrolijke kleuren aan, oranje en geel en iets van ribstof, en lang haar in een stevige vlecht, met aan het uiteinde een gekleurd elastiekje. Ik zal een jaar of acht zijn geweest. Het is een heel helder beeld. Het meisje kijkt naar haar beide ouders, naar hoe die met elkaar omgaan. Ik voel niets, hoor niets en sta op een afstandje naar ze te kijken. Ze staan tegen over elkaar. Ik kan niets doen.

‘Ah, dus het was niet veilig. Je kwam in een freeze‘, zegt de therapeut. Als je bevriest, kun je niets voelen, maar dat betekent niet, dat datgene waar je op dat moment getuige van bent, niets met je doet. Integendeel.

Nu ik dit opschrijf, ga ik automatisch terug naar dit beeld, dat uit mijn geest naar boven kwam. Ik voel de emoties weer terugkomen. Het beeld is een composiet van gevoelens, herinneringen en de kinderfoto’s die op het toilet van mijn ouders hangen. Het beeld zelf is geen herinnering, eerder een verbeelding van hoe ik de dynamiek binnen ons gezin vroeger heb beleefd.

Ik bemiddelde tussen mijn ouders. Dat doe ik nog steeds, af en toe, als ik naar huis ga. Mijn moeder is de emotionele pool, mijn vader de rationele. Mijn moeder schiet in de verdediging, mijn vader blijft zijn argument steeds herhalen. Ze komen er niet uit en daar kan ik niet tegen. Het bizarre is, dat mijn moeder me verteld heeft dat zij vroeger ook vastzat in die bemiddelaarsrol. Ze was enigst kind – al had haar moeder ook miskramen. De geschiedenis herhaalt zich.

Mijn broer staat niet op het plaatje. Hij had een andere rol. Hij kwam als enige in ons gezin in opstand, voornamelijk tegen mijn moeder, die autoritaire trekjes heeft en onzeker is. (Mijn ouders zijn allebei fijne lieve mensen, echt waar, maar daar gaat dit stuk niet over). Ik houd van mijn broer. Hij staat er niet op, want dit is iets tussen mijn ouders en mij.

Een broer-wond heb ik niet. Ik vind mijn broer cool, echt zo’n oudere broer die je helpt en advies geeft, die er voor je is. Die iemand op z’n bek zou slaan voor jou. Inmiddels heeft hij kinderen. Een tijd terug kreeg ik zomaar een boormachine van hem, omdat ik had verteld dat ik wat dingen in mijn huis wilde doen. Met hem kan ik goed praten over vroeger. Ik kan dingen bij hem checken.

‘Wat heeft dat meisje nodig?’, vraagt de therapeut. ‘Wat zou je tegen haar willen zeggen?’ ‘Ik weet het niet zo goed’, zeg ik en moet opnieuw heel hard huilen, waardoor het beeld vertroebelt. De therapeut herhaalt haar vragen, ik concentreer me en het beeld komt weer terug.

‘Ik zou haar voorzichtig bij haar schouders willen pakken en haar om willen draaien. Haar ouders, dat is klaar. Daar hoeft ze zich niet meer mee bezig te houden.’ ‘Probeer haar maar te troosten’, zegt de therapeut. ‘Ik weet niet zo goed hoe dat moet’, zeg ik. ‘Sla je armen maar om haar heen.’ Dat doe ik, in mijn verbeelding. Het huilen wordt minder.

Door contact met dat innerlijke kind te maken, of, althans, door je in te beelden dat je dat doet, kom je als het ware bij dat wat je vroeger pijn heeft gedaan. En als je erbij kunt, kun je het verwerken. Op den duur zal de ballast uit je verleden daardoor kleiner worden, zul je minder vanuit pijn reageren en meer vanuit je authentieke, volwassen zelf. Op die manier kun je ook meer liefde voelen voor de mensen om je heen. Ik beloof de therapeut om vaker aan de kleine Anna te vragen hoe het met haar gaat.

Niet zo gezellig

‘Het is niet zo gezellig in mijn hoofd’ – dat zeg ik op momenten dat ik getriggerd ben. Een eufemisme. Meestal heb ik tamelijk nare gedachten, die me vertellen dat ik het allemaal niet goed doe. Of ik ben verdrietig, omdat er geen rekening gehouden wordt met mijn gevoelens en behoeften. In beide gevallen voel ik me niet geliefd. Ik trek me terug, terwijl ik op zo’n moment juist steun nodig heb, of zou moeten zeggen waar ik behoefte aan heb. Dat probeer ik nu te leren.

Mijn vriend fietste afgelopen weekend steeds nèt iets te hard. Ik heb 20 kilometer lang heel ongelukkig op mijn fiets gezeten, zo ongeveer tussen het Braassemermeer en het Amsterdamse Bos. Het was een prachtige lentedag en we hadden een mooie route uitgekozen, maar in mijn hoofd was het weer eens niet zo gezellig. We kwamen langs Kudelstaart, een dorp dat voorkwam in de schoolmusical van mijn broer. Hij had de hoofdrol. Ik heb heel lang gedacht dat Kudelstaart een verzinsel was. Ik heb mijn broer een foto van het plaatsnaambord gestuurd. Toch bleef ik me rot voelen.

Vanaf het moment dat we het Amsterdamse bos binnenreden, ging het vreemd genoeg beter. De gedachten maakte plaats voor een blij en opgewonden gevoel. We hadden bijna ons doel bereikt, namelijk fietsen van Leiden naar Amsterdam fietsen, gewoon, omdat het kan. Door het bos, langs de Amstel, waar al meisjes in zwommen, langs de hoogbouw van Zuid, met een viaduct over de ringweg heen, om uiteindelijk op het terras van Poesiat en Kater in Oost te belanden. De aanblik van al die chillende Mokumers op de dagrecreatie – dat hielp ook. Ik vond het grappig dat ze naar dat aangeharkte bos gingen om daar overdag te een beetje te gaan kamperen, compleet met tentjes en uitklapbare visserkrukjes. En het rook lekker in het bos, naar daslook.

Wat ik ook deed, ik was nooit snel genoeg, vroeger. Ik kon dan bijvoorbeeld pas na het zondagse ontbijt onder de douche, terwijl mijn ouders en broer dat ervoor al hadden gedaan en dan werd de rest ongeduldig omdat ze op mij moesten wachten. Dat is natuurlijk oneerlijk, want ik begon op achterstand en ik was ook nog eens de jongste, maar dat hadden ze niet in de gaten. En ik merk het nu pas. Ik was nooit snel genoeg, ook als ik het wel was.

Fiets ik met mijn vriend, dan voelt het soms net als vroeger. Heel stom. Bij iemand met wie ik een minder goede band heb, zou ik er wellicht geen last van hebben. Nu ging ik op een gegeven moment zelfs nog langzamer fietsen. Op zo’n moment denk ik mezelf verdrietig. Tranen werkten altijd wel, vroeger. Zonde van zo’n mooie fietstocht en zonde van mijn humeur. Het is een vreemd patroon. Ooit zorgde dit patroon dat mijn behoeftes eindelijk werden gezien, nu zit het mechanisme me in de weg. Ik voel me soms net een grote kleuter.

De binnenkant van je hoofd is als een bioscoopscherm waarop allerlei gedachten worden geprojecteerd. Dat is de strekking van de Gedachtenmeditatie van Ger Schurink. Het is een van de meditaties die voor therapie doe. Deze vorm van mediteren leert je om je eigen gedachten van een afstandje waar te nemen. De kunst is om niet ‘op de trein te springen’ wanneer er een gedachte voorbijkomt die jij ‘aantrekkelijk’ vindt – omdat het een bekende gedachte is, bijvoorbeeld, of, omdat je jezelf verdrietig aan het denken bent omdat er geen rekening met je gehouden wordt, en pijnlijke gedachten daarbij goed van pas komen. Ik dacht expres weer aan de ex, over dat debacle schreef ik vorige week al, ik dacht na over hoe zielig ik was, zoals ik daar alleen fietste, 20 meter achter mijn vriend, dacht dat het zo toch allemaal helemaal niet leuk was, hoe ongevoelig het was om steeds zo hard te rijden, terwijl mijn remmen het toch niet deden, en welja, misschien moest dit dan maar onze laatste dag zijn.

Op een gegeven moment, in het Schinkelsbos, nog voor het Amsterdamse bos, realiseerde ik me dat die shitstorm in mijn hoofd niet de waarheid was, dat die gedachten vanuit pijn ontstonden en dat ik er ook voor kon kiezen om ze niet te geloven, of zelfs om ze niet te hebben. Eigenlijk zette de kentering daar al in, vlak nadat ik een loods had gespot met drie grote, lichtblauwe letters erop.

Tijdens het mediteren zojuist ben ik toch op een paar treinen gesprongen, maar in dit geval kon het geen kwaad. Met de gedachtenmeditatie bestudeer je van een afstandje wat wat er allemaal speelt en dat is nuttig. Ik kan het iedereen aanbevelen. Het zorgt voor inzicht en brengt rust. Ik ben vooral naar buiten gericht, die antennes werken heel goed, superhandig als je op de klantenservice van een bank werkt en je moet aanvoelen hoe iemand het liefst geholpen wordt, maar mijn binnenwereld is voor een deel nog onontgonnen gebied. Het klinkt idioot, maar heel vaak weet ik helemaal niet wat ik voel en wat ik denk (vandaar ook al die meditaties – en het schrijven).

Gelukkig kwamen er tijdens het mediteren niet alleen gedachten over dit fietsdebacle. Ik realiseerde me ook dat ik blij ben dat ik nu mag thuiswerken en dat mijn vriend en ik daar meteen goed gebruik van hebben gemaakt. We gingen gisteravond naar een vertoning met inleiding van Metropolis (1927) van Fritz Lang. Het hart als bemiddelaar tussen de handen en het hoofd – daar kon in mij wel in vinden. Misschien mediteer je wel met je hart? Voortaan haal ik de schakelaar eerder over als ik weer eens verdrietig op de fiets zit.

Het bankwezen

Daar zit je dan, op je bank. Al maanden niets geschreven, terwijl dat is wat je het liefst zou willen. Daar zit je dan, na te denken over wat je zou willen schrijven. Waar moet je beginnen? Kun je het nog wel? Wie ben je eigenlijk?

Een jaar geleden was ik nog vertaler, kunstmodel en student aan de Schrijversvakschool. Nu ben ik Anna en werk ik bij een bank. Ik heb al maanden niet geklommen, al maanden niet geschreven. Ik kreeg een blessure, een vriend en een therapeut. Ik legde de bankierseed af en haalde mijn WFT-diploma. Op mijn werk word ik omringd door geld. Ik heb mensen aan de telefoon met tonnen aan spaarcenten en beleggingen. Ik kijk er allang niet meer van op. Mijn eigen spaargeld neemt voor de verandering eens in hoeveelheid toe, in plaats van dat ik het opsoupeer omdat ik te weinig verdien.

Nu zit ik dus op mijn bank, mijn eigen Deense vintagebank, die ooit 200 euro kostte, en probeer ik een gedicht over een spiegel te schrijven voor een dichtwedstrijd. Wat denk je? Niks natuurlijk. Zo werkt het niet. Je kunt niet op commando iets briljants uitpoepen waar je dan meteen even een wedstrijd mee wint. Ik niet in ieder geval. Dus nu schrijf ik dit, een soort van blog.

Deze week kwam er eindelijk weer eens iets uit mijn pen. Toen ik model was, werkte ik samen met een kunstenaar. We hadden korte tijd een relatie; tussen het schilderen door ontstond er iets moois. Een ongelijke relatie, die me evenveel vreugde als verdriet heeft gebracht. Even oud als mijn vader. It was a shocker. Inspiratie alom.

Nu heb ik een vriend die bijna even oud is als ik en die bijna dezelfde naam heeft als mijn oudere broer. Dit werkt beter. Ik loop niet constant getriggerd rond en als er iets is, dan praten we erover.

Ik dacht dat ik vrienden kon zijn met de kunstenaar: we houden allebei van kunst, literatuur en psychologie. Ik vroeg of hij mee wilde naar Vurige Tongen, het Pinksterfestival van Ruigoord. Dat was niet zo’n goed idee. Ik zat naast hem op een van de luie banken in de salon, te luisteren naar voordrachten geïnspireerd op de Beat Generation, voordrachten van wisselende kwaliteit. Alle herinneringen kwamen weer terug, en de gevoelens ook. In oktober sta ik zelf op dat podium, om te vertellen over Jan Kerouac. Ik wist niet dat ik die gevoelens er nog zaten.

Nu moet ik hem vergeten, loslaten. Hoe doe je dat? Huilen, eten, schrijven, met je beste vriendin praten. Het is materiaal voor een roman, alleen weet ik niet of ik zoiets wel schrijven kan. Ik was heel verdrietig. In de war ook. Loslaten is moeilijk. De therapeut zegt dat ik niet heb geleerd om met mijn emoties om te gaan. En ik ben vaak bang dat ik niet goed genoeg ben, niet leuk genoeg.

Die middag in Ruigoord zette me aan het schrijven. Een aantal gedichten, die ik schreef op weg naar de bank, in de trein, als een echte forens, op mijn telefoon. Ze kwamen er in het Engels uit. Ik praat soms tegen mezelf in het Engels als ik meer afstand nodig heb tot mijn eigen gedachten. Die Engelse stem vertelt me dan hoe de dingen in elkaar steken, en wat wel of geen goed idee is. De kwaliteit is niet hoog, ze doen wat soap-achtig aan, maar ik deel er toch drie, om te vieren dat ik tenminste weer eens iets heb gemaakt.

Regenbui

Opdracht: beschrijf een regenbui die al begonnen is met vallen, zonder een punt te gebruiken. Geschreven tijdens een van de lessen schrijftraining, in het eerste jaar van de Schrijversvakschool.

Dikke druppels komen met duizenden tegelijk uit de lucht vallen, als een groot doorzichtig leger, een bataljon infanteriesoldaten die zich precies op evenwijdige afstand van elkaar voortbewegen, netjes opgesteld in rijen, met glanzende koperen knopen in één lijn op hun jassen en mouwen, en of ze hun Waterloo tegemoet treden doet er weinig toe, wat telt is dat ze vooruit moeten, vooruit! Zoals de druppels, omlaag! Omlaag! Naar een aarde die dorst heeft, grond die gebarsten is, bloemen die vrezen te worden platgeslagen door zoveel neerslag in één keer, zoveel druppels, het is bijna te veel, te mooi, te goed, te nat, bijna een vloed, er komt geen eind aan, of toch wel, de zon, die rijst als een koperen knoop, en de nevel, die opstijgt, als damp na een veldslag.

Meditatie

Ik ben in therapie en daarvoor moet ik onder andere mediteren. Soms doe ik dat in de trein, op weg naar mijn werk. Ik gebruik de geleide meditaties van Ger Schurink: https://www.gerschurink.nl/audio.php

Een coupé vol stemmen:
sommigen reizen al heel lang mee,
anderen zijn stille vreemdelingen,
die de vroegte met me delen.

Een grijze man
met een snor
en mijn blik
doceert de wereld
aan andere kinderen.

De conductrice
vraagt de mensen
hun kaartje te laten zien,
haar stem klinkt bekend,
bazig en streng.

Een vader met een zoontje
een slechthorend koppel
een tienerliefde
een waakse hond
een tegendraadse kunstenaar
een bellende stewardess
een lieve vriend
een grote broer

Ik laat me leiden
probeer binnen en buiten
van elkaar te scheiden
luisterend wat er speelt.

the machine

[I am the machine, the machine is me]

I is a brilliant and at times highly erratic piece of work, which has picked up various new functionalities since its conception. You might say it’s an all-rounder, there are many jobs it can do well. However, its most sophisticated characteristic is its mastery of human language. Its emotive capacities are highly evolved also, but as of yet do not have an outlet to be decoded by and made available to the general public and the interior me. Occasionally the machine’s display will show brief cryptic messages. A transcript of one such messages:

DANGER, HIGH VOLTAGE
MAINTENANCE CODE 001
PLEASE REBOOT
HIGH VOLTAGE, PLEASE REBOOT
CURRENT LOW, USE LOCAL VOLTAGE

001: malalignment of sensors and main engine.

Paardenbreedten

We varen over de Sargassozee
en er drijft zo veel in het water
dat we nauwelijks voortgang maken.

Als het donker wordt
licht het plankton fluorescerend op
vergeten we voor even waar we zijn.

Als jij slaapt en ik wakker lig
waait je adem langs mijn wang.
Je armen vormen een evenaar om mijn middel
en daarbinnen is het prettig warm,
zijn dag en nacht
precies in evenwicht.

Weken later,
terug in een gematigder klimaat,
lijken de twee masten van ons schip
wel verder uit elkaar te staan.

Om door te kunnen varen,
moest ons schip lichter gemaakt.
We hadden geen keus, gooiden
wat te zwaar woog overboord,
maar met het wegsterven van het gehinnik,
heeft onze reis zijn onschuld verloren.

indigo

Zoals je door de scheur in mijn
broek alvast mijn blote knie ziet
maalt hij indigo fijn in zijn vijzel
als een geheime vooruitwijzing.
Het is een diepblauwe kleur,
en ik hoop dat hij voor mij is.

Deze schilder is een alchemist
maar eet ook veel pindakaas
woont in hetzelfde soort huis
als vrienden van mijn ouders.
Ik bestudeer zijn hele atelier,
zie hoe hij kijkt, fronst, werkt,
vergeet voor het gemak mezelf.

Dat mijn hoofd tien kilo weegt
merk ik pas als ik m’n rug strek,
en het achterover laat hangen
in een poging tot schalksheid.
Het ding trekt aan mijn lichaam,
zoals het dat anders ook doet.